sluiten

Inloggen

Log hieronder in met uw gebruikersnaam en wachtwoord.

Deze ontvangt u van ons bij het afsluiten van een (proef)abonnement.

Nog geen inlog? meld u gratis aan


Vragen?
Kunt u niet inloggen of heeft u vragen over een (proef)abonnement?.
Neem dan contact op met BIM Media Klantenservice:

sluiten

Welkom bij Kennisbank ATEX

Om de uitgebreide informatie op de kennisbank te kunnen lezen heeft u een inlogcode nodig. Deze ontvangt u bij het afsluiten van een abonnement.

Waarom de ATEX kennisbank

  • Kennis van experts altijd beschikbaar
  • Antwoorden, oplossingen en tools
  • Toevoegen van eigen notities mogelijk
  • Praktijkcases, veelvuldig aangevuld
  • Handige formules en interactieve berekeningen
Neem nu een abonnement >

Abonnement vanaf € 255,- per jaar, ieder moment opzegbaar. Meer over een abonnement op ATEX

“ De ATEX boeken hielpen me al goed op weg, maar met de Kennisbank ATEX zijn antwoorden, oplossingen en tools altijd en overal beschikbaar ”
 

H. Vlottes, directeur Vlottes Electromechaniek
Installatie Service Bureau

Inloggen voor abonnees


Vragen?
Kunt u niet inloggen of heeft u vragen over een abonnement?
Neem dan contact op met Vakmedianet Klantenservice: ​088 58 40 888

Of stuur een e-mail naar: klantenservice@vakmedianet.nl

Service & Advies

Redactieleden

Ing. G.A. Jansen

Ing. G.A. (Gerdian) Jansen is senior HSE-consultant bij HSE-... >> Bekijk biografie

Ing. N.J. Kluwen

Ing. N.J. (Nico) Kluwen is manager Meldsystemen bij EFPC B.V... >> Bekijk biografie

Prof. dr. ir. J.F.G. Cobben

Prof. dr. ir. J.F.G. (Sjef) Cobben (1956) is afgestudeerd... >> Bekijk biografie

Veelgestelde vragen

ATEX-Richtlijnen

Wanneer heb ik te maken met ATEX?

Afhankelijk van de situatie en de stoffen die worden gebruikt. Hierbij moet worden gekeken of de stoffen al dan niet brandgevaarlijk zijn en met betrekking tot de situatie kan dit heel sterk verschillen.

 

Lees hier meer over de ATEX richtlijnen.

In hoeverre is de Atex wettelijk, en als dat zo is moet dan alle regelgeving die in de Atex is vermeld, zoals minimaal 1 x per 3 jaar keuren van de electrische installatie binnen de Atex-zone worden opgevolgd?

De Europese Richtlijn 1999/92/EG (aangeduid met ATEX 137, voorheen ATEX 118a), ‘Bescherming van werknemers die door explosieve atmosferen gevaar lopen’, is in Nederland geïmplementeerd in het Arbobesluit artikel 3.5a t/m 3.5f.

Dit betreft regelgeving. Normen zijn hulpmiddelen om aan te tonen dat er een “vermoeden van overeenstemming” is met de richtlijn. De inspectiefrequentie, zoals vastgelegd in de norm NEN-EN-IEC 60079-17:2014, ‘Explosieve atmosferen - Deel 17: Inspectie en onderhoud van elektrische installaties’ is dan ook niet regelgeving, maar betreft een hulpmiddel om aan te tonen dat er een “vermoeden van overeenstemming” is met de richtlijn. Als zich een incident heeft voorgedaan, zal inspectie SZW of de rechter dan ook altijd de norm als leidraad nemen. De ‘tegenpartij’ moet dan maar aantonen dat hij/zij met zijn/haar werkwijze minimaal hetzelfde veiligheidsniveau heeft behaald als in de norm is vastgelegd. Echter, nadat een incident zich heeft voorgedaan, zal dat in de praktijk erg moeilijk worden. Dus indirect moet je wel voldoen aan hetgeen in normen is vastgelegd.

Elektrisch Materieel

Is het verplicht om in zone 22 intrinsiek veilige circuits te gebruiken?

Neen, dat is niet verplicht. Het is wel verplicht om explosieveilig materieel EX II 3D te gebruiken. Voor niet-geleidend stof mag gebruik worden gemaakt van de onderstaande beschermingswijzen tegen ontsteking:

  • iaD
  • ibD
  • pD
  • maD
  • mbD
  • tD A20
  • tD B20
  • tD A21
  • tD B21
  • tD A22
  • tD B22

 

Uiteraard moet hierbij rekening worden gehouden met de temperatuurbegrenzing vanwege de aanwezigheid van stofwolken en stofafzetting. De toelaatbare maximale oppervlaktetemperatuur van het materieel mag niet hoger zijn dan tweederde van de minimale ontstekingstemperatuur in graden Celsius van het desbetreffende stof-luchtmengsel. Tevens moet met de toelaatbare maximale oppervlaktetemperatuur i.v.m. de aanwezigheid van stofwolken rekening worden gehouden. Zie § 5.6.3. van de NEN-EN-IEC 60079-14:2008 nl ‘Explosieve atmosferen - Deel 14: Ontwerp, keuze en opstelling van elektrische installaties’.

Welk elektrisch materieel mag in zone 0 toepassen?

Zone

EPL

EPL

Uitvoeringsvorm

Beschermingscategorie

NEN-EN-IEC

0

Ga

Ga

Intrinsieke veiligheid

ia

60079-11

Ingegoten materieel

ma

60079-18

Twee onafhankelijke beschermingsniveaus elk met EPL Gb

 

60079-26

Bescherming van materieel en transmissiesystemen via optische straling

 

60079-28

 

Welk elektrisch materieel mag ik in zone 1 toepassen?

Zone

EPL

EPL

Uitvoeringsvorm

Beschermingscategorie

NEN-EN-IEC

1

Ga
of Gb

Gb

Drukvast omhulsel

d

60079-1

Verhoogde veiligheid

e

60079-7

Intrinsieke veiligheid

ib

60079-11

Ingegoten materieel

m, mb

60079-18

Olievulling

o

60079-6

Inwendige overdruk

p, px, py

60079-2

Zandvulling

q

60079-5

Veldbus intrinsieke veiligheid ontwerp (FISCO)

 

60079-27

Bescherming van materieel en transmissiesystemen via optische straling

 

60079-28

 

Welk elektrisch materieel mag ik in zone 2 toepassen?

Zone

EPL

EPL

Uitvoeringsvorm

Beschermingscategorie

NEN-EN-IEC

2

Ga, Gb
of
Gc

Gc

Intrinsieke veiligheid

ic

60079-11

Ingegoten materieel

mc

60079-18

Niet-vonkend

n of nA

60079-15

Beperkt ademend

nR

60079-15

Energiebegrensd

nL

60079-15

Omsloten materieel

nC

60079-15

Inwendige overdruk

pz

60079-2

Veldbus intrinsieke veiligheid ontwerp (FISCO)

 

60079-27

Bescherming van materieel en transmissiesystemen via optische straling

 

60079-28

 

Welk elektrisch materieel mag ik in zone 20 toepassen?

Zone

EPL

EPL

Uitvoeringsvorm

Beschermingscategorie

NEN-EN-IEC

20

Da

Da

Intrinsieke veiligheid

iD

60079-11

Ingegoten

mD

60079-18

Omhulling

tD

60079-31

 

Welk elektrisch materieel mag ik in zone 21 toepassen?

Zone

EPL

EPL

Uitvoeringsvorm

Beschermingscategorie

NEN-EN-IEC

21

Da
of
Db

Db

Intrinsieke veiligheid

iD

60079-11

Ingegoten

mD

60079-18

Omhulling

tD

60079-31

Inwendige overdruk

pD

61241-4

 

Welk elektrisch materieel mag ik in zone 22 toepassen?

Zone

EPL

EPL

Uitvoeringsvorm

Beschermingscategorie

NEN-EN-IEC

22

Da, Db
of Dc

Dc

Intrinsieke veiligheid

iD

60079-11

Ingegoten

mD

60079-18

Omhulling

tD

60079-31

Inwendige overdruk

pD

61241-4

 

Worden er aanvullende eisen gesteld aan de potentiaalvereffening van de metalen delen van een installatie? Deze behoren te worden "geaard" op de aardingsinstallatie. Tevens zijn de signaalkabels vanuit de EMC voorzien van afscherming welke wordt aangesloten op een aardgeleider binnen 20 cm van de klemmenkast. Welke aspecten zijn hierin in een ATEX-zone van belang bij de toepassing van intinsieke installatie? Mag deze potentiaalverefening met blank onafgeschermde koperader worden uitgevoerd? De ruimte in de ATEX zone heeft een vermaasd aardnet met aardplaten op de wand waarop deze veereffening dient te worden aangesloten.

In het algemeen geldt dat voor installaties in gevaarlijke gebieden potentiaalvereffening is vereist. Van TN-, TT- en IT-stelsels moeten alle metalen gestellen en vreemde geleidende delen met de potentiaalvereffeningsleiding zijn verbonden. Tot de vereffeningsleiding mogen beschermingsleidingen, metalen installatiebuizen, metalen kabelmantels, staaldraadwapening en metalen constructiedelen behoren, maar geen nulleiders. Aansluitingen moeten zijn geborgd zodat zij niet onbedoeld kunnen losraken, en moeten het risico op corrosie tot een minimum beperken, want corrosie vermindert de effectiviteit van de verbinding.

 

Indien de wapening of schermen van kabels alleen geaard zijn buiten het gevaarlijke gebied (bijvoorbeeld in de MVV ruimte) dan moet dit punt van aarding zijn opgenomen in het potentiaalvereffeningssysteem van het gevaarlijke gebied.

 

Metalen gestellen behoeven niet afzonderlijk te zijn verbonden met de potentiaalvereffeningsleiding indien zij stevig zijn vastgezet aan en zich bevinden in geleidend contact met structurele delen van pijpleidingen die zijn verbonden met de potentiaalvereffeningsleiding. Vreemde geleidende delen die geen deel uitmaken van de constructie of van de elektrische installatie, bijvoorbeeld sponningen van deuren of ramen, behoeven niet te worden verbonden met de potentiaalvereffeningsleiding, indien er geen gevaar van spanningsversleping bestaat.

 

Kabelwartels met trekontlastingsinrichting die de omvlechting of wapening van de kabel omklemmen, kunnen voor potentiaalvereffening worden gebruikt.

 

De grootte voor de vereffeningsleiding voor de hoofdverbinding naar een beschermende rail moet ten minste 6 mm2 zijn en aanvullende verbindingen moeten ten minste 4 mm2 zijn. Er moet ook worden overwogen om grotere leidingen te gebruiken voor mechanische sterkte.

 

Metalen omhulsels van intrinsiek veilig materieel of materieel met beperkte energie behoeven niet te zijn verbonden met de potentiaalvereffeningsleiding, tenzij de documentatie bij het materieel dit voorschrijft of om statische oplading te voorkomen.

 

Met betrekking tot aarding van intrinsiek veilige stroomketens is in 16.2.3 van de NEN-EN-IEC 60079-14:2014 e.e.a. opgenomen.

Met een aantal componenten voor zone 1 wordt een installatie samengesteld zonder mechanische werkende delen (risico’s). Is het voor de conformiteit met de ATEX voldoende om voor zone 1 alleen zone 1 ATEX componenten te gebruiken?

Als het een installatie zonder mechanische werkende delen betreft, zal het vermoedelijk een elektrische installatie betreffen.
 
Het is noodzakelijk te waarborgen dat elke installatie voldoet aan het relevante certificaat voor het materieel (zie hoofdstuk 5 van de NEN-EN-IEC 60079-14:2014) evenals aan de norm NEN-EN-IEC 60079-14:2014 en aan andere eisen, zoals de NEN 1010 die specifiek gelden voor de installatie waar de installatiewerkzaamheden plaatsvinden. Daarbij moet uiteraard gebruik worden gemaakt van categorie 2G elektrische apparatuur. Daarbij moet uiteraard nog wel de juiste temperatuurklasse en gasgroep worden gekozen. Materieel moet worden geïnstalleerd volgens de bijbehorende documentatie. Er moet worden gewaarborgd dat delen van het juiste type en de juiste toegekende waarde zijn. Na voltooiing van de opstelling en alvorens het eerste gebruik moet de eerste gedetailleerde inspectie van het materieel en de installatie worden uitgevoerd overeenkomstig bijlage C, die is gebaseerd op de "gedetailleerde" inspectieklasse in IEC 60079-17.
Om tot dit resultaat te komen moet voor elke installatie een verificatiedossier worden aangelegd en bewaard.

Gevarenzone

Wat is een gevarenzone?

Dat is een indeling waarin de kans dat een explosieve atmosfeer aanwezig is.afgewogen.

 

De gevarenzones zijn als volgt ingedeeld:

Gasontploffingsgevaar:  zone 0, zone 1, zone 2 en afwijkend gebied.

Stofontploffingsgevaar: zone 20, zone 21 en zone 22.

 

Meer informatie over de gevarenzone-indeling kunt u lezen in de case: Gasontploffingsgevaar en de case: Stofontploffingsgevaar.

Is het verplicht om in zone 22 intrinsiek veilige circuit te gebruiken?  

 

Neen, dat is niet verplicht. Het is wel verplicht om explosieveilig materieel EX II 3D te gebruiken. Voor niet-geleidend stof mag gebruik worden gemaakt van de onderstaande beschermingswijzen tegen ontsteking:

 

  • iaD
  • ibD
  • pD
  • maD
  • mbD
  • tD A20
  • tD B20
  • tD A21
  • tD B21
  • tD A22
  • tD B22

 

Uiteraard moet hierbij rekening worden gehouden met de temperatuurbegrenzing vanwege de aanwezigheid van stofwolken en stofafzetting. De toelaatbare maximale oppervlaktetemperatuur van het materieel mag niet meer bedragen dan twee derde van de minimale ontstekingstemperatuur in graden Celsius van het desbetreffende stof/luchtmengsel. Tevens moet met de toelaatbare maximale oppervlaktetemperatuur i.v.m. de aanwezigheid van stofwolken rekening worden gehouden. Zie § 5.6.3. van de NEN-EN-IEC 60079-14:2008 nl ‘Explosieve atmosferen - Deel 14: Ontwerp, keuze en opstelling van elektrische installaties’.

 

Naderingsschakelaars bijvoorbeeld van IFM of Turck classificeren ATEX IIID producten   met aansluitspanning 24VDC. Turck gebruikt een veiligheidsclip om te voorkomen dat de stekkers aan de sensoren onbedoeld los worden gehaald.

Hoe moet ik omgaan met Harting stekkers die met 1 of 2 klemmen onder spanning  te scheiden zijn? Is een sticker bij de stekkers en vermelding in het handboek voldoende in  zone 22?  

 

De stekker moet ATEX gecertificeerd zijn, overeenkomstig de aanduiding: Ex II 3D.
 

 

Is het VERPLICHT in zone 22 ATEX gecertificeerde componenten en kabels in te  zetten? Of mogen het ook componenten zijn min IP54 waarbij bij maxamale belasting  zelf de oppervlaktetemperatuur is vastgesteld. Zodat deze vergeleken kan worden met de smeul- en ontsteektemperatuur van de betreffende stof die aanwezig KAN zijn.  

 

ATEX gecertificeerde kabels bestaan niet. Zie hoofdstuk 9 van de NEN-EN-IEC 60079-14:2008 nl ‘Explosieve atmosferen - Deel 14: Ontwerp, keuze en opstelling van elektrische installaties’ (Binnen IEC wordt ‘Dc’ gebruikt in plaats van de Europese ATEX aanduiding ‘3D’). De componenten moeten ATEX gecertificeerd zijn, overeenkomstig de aanduiding: Ex II 3D.

Zou ik een ventieleiland van Rexrtoh (HF03) die IP 65 is mogen inzetten in  zone 22?

 

Ja, deze mag worden gebruikt mits het ventieleiland geen elektrische componenten bezit, zoals magneetafsluiters. Een ventieleiland zelf bezit geen potentiële ontstekingsbron en derhalve is de ATEX 95 Richtlijn daarop niet van toepassing.

Elektrische componenten, zoals magneetafsluiters moeten wederom ATEX gecertificeerd zijn, overeenkomstig de aanduiding: Ex II 3D.
 

 

Overig

Wat is een gasgroep?

Voor het elektrische materieel met een drukvast omhulsel worden de gassen en dampen ingedeeld volgens de experimenteel bepaalde grootste veilige spleetwijdte in beproevingsvaten met spleetlengten van 25 mm, de grensspleetwijdte. De afkorting daarvan is MESG, maximum experimental safe gap. De genormaliseerde methode voor de bepaling van de MESG maakt gebruik van het vat beschreven in IEC-publicaties. Voor intrinsiek veilig elektrisch materieel worden gassen en dampen ingedeeld op grond van de verhouding van hun minimale ontstekingsstroom MIC , minimum ignition current, tot de ontstekingsstroom van methaan . Materieel van groep II is met name voor de beschermingswijzen intrinsieke veiligheid en drukvaste omhulsels onderverdeeld in de materieelklasse n A, B en C, conform de eigenschappen van de ontplofbare atmosfeer waarvoor het is bestemd. Klasse A stelt de lichtste eisen, klasse C de zwaarste eisen (zie onderstaande tabel).

 

Materieelgroep

van materieel

Maximaal toelaatbare

ontstekingsenergie

μJ

MESG

mm

MIC

IIA

200

> 0,9

0,8

IIB

60

0,5-0,9

0,45-0,8

IIC

20

< 0,5

< 0,45

Toegestane materieelgroepen in relatie tot de ontstekingsenergie, MESG en MIC.

Wat is de temperatuurklasse?

De temperatuurklasse is een indeling gebaseerd op de zelfontbrandingstemperatuur van de brandbare stof.

 

Minimaal vereiste temperatuurgroep

van materieel

Ontstekings-
temperatuur

°C

Toegestane
temperatuurgroep
van materieel

T1

> 450

T1-T6

T2

> 300

T2-T6

T3

> 200

T3-T6

T4

> 135

T4-T6

T5

> 100

T5-T6

T6

> 85

T6

Toegestane temperatuurgroep in relatie tot de ontstekingstemperatuur.

Inspectie

Volgens het boekje moet bij nieuwbouw een eerste (gedetailleerde) inspectie worden uitgevoerd. En daarna de periodieke inspecties. Zo wordt het ook overal genoemd in de norm.In de praktijk is het echter vaak het geval dat de eerste inspectie niet is uitgevoerd (in de meeste gevallen is het wel een goede installatie), maar dat de klant zich nu wel bewust is om een inspectie uit te voeren. Wat voor inspectie is dan voor de klant voldoende om aan de norm te voldoen? Moet er dan een volledige gedetailleerde inspectie worden uitgevoerd of is een volledige nauwkeurige inspectie ook voldoende? Of is hier een heel andere plan van aanpak nodig?

 

De norm geeft hier geen uitsluitsel over.

 

De norm geeft aan dat “eerste inspecties worden uitgevoerd om te controleren dat de gekozen beschermingswijze en de installatie in orde zijn. Geen volledige eerste inspectie is vereist, indien de fabrikant reeds een gelijkwaardige inspectie heeft uitgevoerd en het niet waarschijnlijk is dat de door de fabrikant geïnspecteerde delen tijdens het installatieproces nadelig zijn beïnvloed. Zo is er bijvoorbeeld geen eerste gedetailleerde inspectie vereist van inwendige vlamwegen van een drukvaste motor of van de interne verbindingen van een Ex-motor met beschermingswijze “tD”. Het deksel van een klemmenkast dat verwijderd kan zijn geweest om de veldbedrading te kunnen aansluiten, zou na de installatie wel moeten worden geïnspecteerd als onderdeel van het installatieproces.”. Voor deze inspecties zal het materieel in het algemeen elektrisch veilig moeten zijn gesteld.

 

De norm geeft aan tevens aan dat “regelmatige periodieke inspecties moeten worden uitgevoerd om te waarborgen dat de installaties bij langdurig gebruik binnen een gevaarlijk gebied in goede staat worden gehouden. Als gevolg van een periodiek uitgevoerde nauwkeurige inspectie kan een verdergaande gedetailleerde inspectie noodzakelijk blijken te zijn.”. Deze inspecties kunnen worden uitgevoerd terwijl het materieel is ingeschakeld.

 

Als uitsluitend een gedetailleerde inspectie wordt uitgevoerd worden een groot aantal zeer relevante aspecten van de installatie niet gecontroleerd. Derhalve blijft een “eerste inspectie” noodzakelijk. Denk hierbij aan:

 

  • Voor Ex ‘d’, Ex ’e’ en Ex ‘n’ constructies:
    • de markering van de stroomketen bij het materieel juist is
    • er geen niet-toegelaten wijzigingen zijn
    • oppervlakken van de vlakke spleten glad en onbeschadigd zijn, en eventuele pakkingen in orde zijn
    • de waarde van de toegekende grootheden, het type en de positie van lampen juist zijn
    • schoepen van motorventilatoren voldoende speling hebben ten opzichte van omhulsel en/of beschermkappen
    • het kabeltype geschikt is
    • de deugdelijkheid van een installatiebuissysteem en het koppelingsvlak met gemengde systemen is behouden (controle aan het object)
    • de impedantie van de foutstroomketen (TN-stelsels) of aardweerstand (IT-stelsels) voldoende is
    • de isolatieweerstand voldoende is
    • automatische elektrische beveiligingstoestellen binnen toelaatbare grenzen werken
    • automatische elektrische beveiligingstoestellen juist zijn afgesteld (in zone 1 geen automatisch terugstellen mogelijk)
    • er wordt voldaan aan bijzondere gebruiksvoorwaarden (indien van toepassing)
    • niet in gebruik zijnde kabels op de juiste wijze zijn afgewerkt

 

  • Voor Ex ‘i’ constructies:
    • er geen niet-toegelaten wijzigingen zijn
    • de elektrische aansluitingen vast zijn bevestigd
    • de kabels volgens de documentatie zijn geïnstalleerd
    • de kabelafschermmantels volgens de documentatie zijn geaard
    • alle punt-tot-punt-verbindingen juist zijn
    • het ononderbroken zijn van aardverbindingen in orde is (bijvoorbeeld aansluitingen zijn vast aangedraaid en de kerndoorsnede van geleiders is voldoende)
    • de intrinsiek veilige stroomketen is gescheiden ten opzichte van aarde of geaard op slechts één punt (zie documentatie)
    • de scheiding tussen intrinsiek veilige en niet-intrinsiek veilige stroomketens in gezamenlijke verdeelkasten of relaiskasten in stand blijft
    • voor zover van toepassing, de beveiliging tegen kortsluiting van de voeding volgens de documentatie is
    • er wordt voldaan aan bijzondere gebruiksvoorwaarden (indien van toepassing)

 

  • Voor Ex ‘p’ constructies:
    • de markering van de stroomketen bij het materieel juist is
    • er geen niet-toegelaten wijzigingen zijn
    • de waarde van de toegekende grootheden, het type en de positie van lampen juist zijn
    • het kabeltype geschikt is (controle aan het object)
    • de impedantie van de foutstroomketen (TN-stelsels) of aardweerstand (IT-stelsels) voldoende is
    • automatische elektrische beveiligingstoestellen binnen toelaatbare grenzen werken
    • automatische elektrische beveiligingstoestellen juist zijn afgesteld
    • de inlaattemperatuur van beschermingsgas onder de opgegeven maxi­male waarde ligt
    • druk‑en/of stromingsaanwijzers, alarmtoestellen en vergrendelingen op juiste wijze functioneren
    • de toestand van vonkenvangers van schachten voor de afvoer van gas door gevaarlijk gebied in orde is
    • er wordt voldaan aan bijzondere gebruiksvoorwaarden (indien van toepassing)

 

Het blijft dus noodzakelijk om de bovenstaande inspectiepunten ten minste 1 keer na te gaan.

 

Uiteraard zijn, afhankelijk van de omstandigheden enkele aspecten moeilijk na te gaan. Denk daarbij aan:

 

  • barrièredozen en kabelmoffen op de juiste wijze zijn gevuld, voor Ex ‘d’ constructies
  • de elektrische aansluitingen vast zijn bevestigd, voor Ex ‘e’ constructies
  • de toestand van pakkingen in omhulsels voldoende is ,voor Ex ‘e’ constructies
  • omsloten contacten en hermetisch gesloten toestellen onbeschadigd zijn, voor Ex ‘n’ constructies
  • de beperkte ademing van het omhulsel voldoende is, voor Ex ‘n’ constructies
  • omhulsel, glazen delen en glas-op-metaalafdichtingspakkingen en/of vulmassa’s in orde zijn, voor Ex ‘i’ constructies
  • printplaten schoon en onbeschadigd zijn, voor Ex ‘i’ constructies

 

Deze aspecten kunnen dan later een keer worden gecontroleerd indien de omstandigheden dat toelaten.

Stel uw vraag

Heeft u geen oplossing voor uw probleem gevonden? Abonnees krijgen de mogelijkheid om vragen te stellen aan onze deskundige expert(s). Binnen een week kunt u een antwoord verwachten.
Klik hier voor het stel uw vraag formulier