sluiten

Inloggen

Log hieronder in met uw gebruikersnaam en wachtwoord.

Deze ontvangt u van ons bij het afsluiten van een (proef)abonnement.

Nog geen inlog? meld u gratis aan


Vragen?
Kunt u niet inloggen of heeft u vragen over een (proef)abonnement?.
Neem dan contact op met BIM Media Klantenservice:

sluiten

Welkom bij Kennisbank ATEX

Om de uitgebreide informatie op de kennisbank te kunnen lezen heeft u een inlogcode nodig. Deze ontvangt u bij het afsluiten van een abonnement.

Waarom de ATEX kennisbank

  • Kennis van experts altijd beschikbaar
  • Antwoorden, oplossingen en tools
  • Toevoegen van eigen notities mogelijk
  • Praktijkcases, veelvuldig aangevuld
  • Handige formules en interactieve berekeningen
Neem nu een abonnement >

Abonnement vanaf € 255,- per jaar, ieder moment opzegbaar. Meer over een abonnement op ATEX

“ De ATEX boeken hielpen me al goed op weg, maar met de Kennisbank ATEX zijn antwoorden, oplossingen en tools altijd en overal beschikbaar ”
 

H. Vlottes, directeur Vlottes Electromechaniek
Installatie Service Bureau

Inloggen voor abonnees


Vragen?
Kunt u niet inloggen of heeft u vragen over een abonnement?
Neem dan contact op met Vakmedianet Klantenservice: ​088 58 40 888

Of stuur een e-mail naar: klantenservice@vakmedianet.nl

Begrippen

A

Afwijkend gebied

Een gebied waarin door secundaire gevarenbronnen een ontplofbare atmosfeer kan voorkomen, maar waar het door de noodzakelijke en onvermijdelijke aanwezigheid van een of meerdere ontstekingsbronnen niet zinvol is om in te delen.

 

Apparaat

Machines, materieel, vaste of mobiele inrichtingen, bedieningsorganen en instrumenten, alsmede detectie- en preventiesystemen, die alleen of in combinatie bestemd zijn voor productie, transport, opslag, meting, regeling, energieomzetting of grondstoffenverwerking en die door hun inherente potentiële bronnen van ontvlamming een explosie kunnen veroorzaken.

 

Atmosferische omstandigheden

Condities van de omgeving waar de druk kan variëren tussen 80 en 110 kPa en de temperatuur tussen –20 en +40 ˚C en waar het zuurstofgehalte 21 ± 1 vol.-% bedraagt.

 

B

Beveiligingssyteem

Inrichtingen, niet zijnde componenten van de onder ‘Apparaat’ omschreven apparaten, die de functie hebben beginnende explosies onmiddellijk te stoppen en/of de door een explosie getroffen zone te beperken en die afzonderlijk in de handel worden gebracht als systemen met autonome functies.

 

Bovenste explosiegrens (UEL)

Gasontploffingsgevaar: De concentratie van een brandbaar gas, damp of nevel in lucht waarboven geen ontplofbare atmosfeer wordt gevormd. UEL is de afkorting van de Engelse term upper explosion limit, in het Nederlands bovenste explosiegrens.

Stofontploffingsgevaar: Concentratie van fijn verdeeld brandbaar stof in lucht waarboven geen ontplofbare atmosfeer wordt gevormd. UEL is de afkorting van de Engelse term upper explosion limit, in het Nederlands bovenste explosiegrens.

 

Brandbare stof

Gasontploffingsgevaar: Stof waaruit een brandbaar gas, damp of nevel kan ontstaan, of daaruit bestaande.

Stofontploffingsgevaar: Fijn verdeelde brandbaar vast stof dat door opwerveling in lucht onder atmosferische omstandigheden een ontplofbaar mengsel kan vormen.

 

Brandbare vloeistof

Vloeistof waaruit een brandbaar gas, damp of nevel kan ontstaan.

 

Brandbaar gas of damp

Gas dat of damp die in bepaalde verhoudingen met lucht gemengd een ontplofbare atmosfeer vormt. Onder damp wordt hierbij verstaan: een stof die vanuit de vloeistoffase door warmtetoevoer of door drukverlaging in de gasvorm is overgegaan. De termen gas en damp zijn zo synoniemen.

 

Brandbare nevel

Druppeltjes van een brandbare vloeistof, zodanig in lucht verdeeld dat een ontplofbare atmosfeer wordt gevormd.

 

Beheersbare dikte

Stofafzetting die door schoon huishouden tot zodanige dikte wordt beperkt, dat geen stofontploffingsgevaar in de ruimte kan ontstaan.

 

C

Capaciteit van gevarenbron

De hoeveelheid brandbaar gas of damp die per tijdseenheid uit de gevarenbron vrijkomt.

 

Component

Onderdelen die essentieel zijn voor de veilige werking van apparaten en beveiligingssystemen, maar geen autonome functie hebben.

 

Continue gevarenbron

Gasontploffingsgevaar: Een plaats waaruit brandbare stof in de vorm van gas, damp of vloeistof voortdurend of lange perioden kan vrijkomen. Indicatie van periode: in totaal meer dan 1000 uren per jaar. Voorbeelden:

  • ontluchtingsopeningen
  • ademventielen
  • open vaten.

 

Stofontploffingsgevaar: Plaats waar brandbaar stof, met lucht vermengd, voortdurend of lange perioden kan vrijkomen. Indicatie van periode: in totaal meer dan 1000 uur per jaar.

 

Continue stofafzetting

Plaats waar brandbaar stof voortdurend wordt afgezet ofwel een laag afgezet stof lange perioden aanwezig is. Indicatie van periode: in totaal meer dan 1000 uur per jaar.

 

D

Dampdichtheid of soortelijke massa

De massa in kg van 1 m3 gas (damp) bij een bepaalde temperatuur en druk.

 

Dampdruk

Druk die wordt uitgeoefend wanneer een vaste stof of vloeistof in evenwicht is met zijn eigen damp. De dampdruk van een stof is afhankelijk van de temperatuur.

 

Directe ontsteking

Ontsteking van een ontplofbaar stof/lucht-mengsel door een actieve ontstekingsbron.

 

E

Explosiegebied

Het gebied tussen de onderste en bovenste explosiegrens.

 

G

Gebied

Driedimensionale ruimte.

 

Gebouw

Bouwkundige constructie waarin installaties of delen van een installatie kunnen zijn opgesteld.

 

Gevaarlijk gebied

Gasontploffingsgevaar: Een gebied waarbinnen een ontplofbare gasatmosfeer aanwezig is of aanwezig kan zijn in hoeveelheden waarvoor speciale voorzieningen zijn vereist bij de constructie, installatie en toepassing van materieel.

 

Stofonploffingsgevaar: Gebied waarbinnen een ontplofbaar stof/lucht-mengsel aanwezig is of kan zijn, waardoor speciale voorzieningen voor ontstekingsbronnen nodig zijn.

 

Gevarenbron

Gasontploffingsgevaar: Een plaats waaruit brandbare stof in de vorm van gas, damp of vloeistof in de atmosfeer kan vrijkomen, zodat een ontplofbare atmosfeer kan ontstaan.

 

Stofontploffingsgevaar: P Plaats waar brandbaar stof kan vrijkomen (als opgewerveld stof of stofwolk) of waar afgezet brandbaar stof (stofafzetting) kan worden opgewerveld, zodat een ontplofbaar stof/luchtmengsel kan ontstaan Te onderscheiden zijn, zoals hieronder aangegeven in volgorde van afnemende kans op de aanwezigheid van een ontplofbaar stof/lucht-mengsel, drie klassen van gevarenbronnen:

  • continu
  • primair
  • secundair.

 

Gevarenzone-indeling

Een indeling van gevaarlijke gebieden in zones, afhankelijk van de waarschijnlijkheid van het aanwezig zijn van een ontplofbare atmosfeer.

 

Groepen en categorieën van apparatuur

Indeling van materieel voor plaatsen waar gasontploffingsgevaar kan heersen: groepen I en II, waarbij II is onderverdeeld in drie categorieën, omschreven in de Europese ATEX-richtlijn (94/9/EG). De apparaatcategorieën die de vereiste beschermingsniveaus bepalen, zijn apart beschreven. De apparaten en beveiligingssystemen kunnen zijn ontworpen voor een bijzonder explosieve omgeving. In dat geval worden zij van de desbetreffende merktekens voorzien.

 

Groep I
Bestemd voor ondergrondse werkzaamheden in mijnen en in bovengrondse mijninstallaties die door mijngas en/of brandbaar stof gevaarlijk zijn of kunnen zijn. Gezien het toepassingsgebied wordt hier verder niet op ingegaan.

 

Groep II
Bestemd voor een (bovengrondse) omgeving die door de aanwezigheid van mengsels van lucht met gas, damp, nevel of stof/lucht-mengsels explosief is of kan worden. In groep II verschijnen de coderingen ‘G’ en/of ‘D’ afhankelijk van of de apparatuur is bedoeld om gebruikt te worden voor gas- en of stoftoepassingen. Deze groep omvat de onderstaande drie categorieën.

 

Categorie 1
Zo ontworpen, dat ze een zeer hoog beschermingsniveau bieden. Apparaten van deze categorie moeten het vereiste beschermingsniveau waarborgen, zelfs in geval van een uitzonderlijke storing van het apparaat. Dergelijke apparaten worden gekenmerkt door zulke beveiligingsmiddelen (beschermingswijzen) dat het vereiste veiligheidsniveau gewaarborgd blijft indien:

a bij uitval van een van de beveiligingsmiddelen, deze functie door ten minste een tweede onafhankelijk middel wordt overgenomen en/of

b zich maximaal twee onafhankelijke storingen voordoen.

 

Categorie 2
Zo ontworpen, dat ze een hoog beschermingsniveau bieden. Bij apparaten van deze categorie moeten de beveiligingsmiddelen (beschermingswijze) het vereiste veiligheidsniveau waarborgen, zelfs bij frequente storingen of bij gebreken in de werking van het apparaat waarmee gewoonlijk rekening gehouden moet worden.

 

Categorie 3
Zo ontworpen, dat ze een normaal beschermingsniveau bieden. De apparaten van deze categorie waarborgen bij normaal bedrijf het vereiste veiligheidsniveau.

 

Groot gebouw

Ruimte of gebouw met zodanige afmetingen en van zodanige constructie, dat met betrekking tot verspreiding en verdunning van gassen die vrijkomen uit de gevarenbronnen met een debiet tot 10 g/s omstandigheden heersen overeenkomend met de open lucht.

 

Geleidbaarheid

Mate waarin een stof elektrische stroom kan geleiden. (In verband met statische oplading)

 

Geleidend stof

Stof met een soortelijke weerstand kleiner dan of gelijk aan 103 Ωm.

 

H

Hybride mengsel

Mengsel van fijn verdeeld brandbaar stof en brandbaar gas met lucht. Bij een lagere concentratie brandbaar gas dan 20% van de LEL van dit gas, kan het hybride mengsel in de meeste gevallen worden beschouwd als alleen een stof/lucht-mengsel. Boven deze concentratie behoort rekening te worden gehouden met mogelijk lagere minimumontstekingsenergie, hogere ontploffingsdruk en grotere drukstijgsnelheid dan bij een enkelvoudig mengsel. 

 

I

Indirecte ontsteking

Wijze van ontsteken waarbij een stofwolk niet direct wordt ontstoken, maar waarbij de ontsteking en meestal het ontstaan van een stofwolk wordt veroorzaakt door een daaraan voorafgaand proces.

 

Inert gas

Een onbrandbaar, niet-reactief gas.

 

Inertiseren

Het toevoeren van een inert gas aan installatiedelen die brandbare stoffen kunnen bevatten, om het daarin ontstaan van een ontplofbare atmosfeer te voorkomen.

 

K

Kookpunt

Temperatuur van een vloeistof die kookt bij een omgevingsdruk van 101,3 kPa (1013 mbar).

 

M

Maximale omgevingstemperatuur

De hoogste omgevingstemperatuur die een gevarenbron omgevende lucht kan bereiken onder normale omstandigheden.

 

N

Niet-gevaarlijk gebied (NGG)

Een gebied waarbinnen geen ontplofbare atmosfeer geacht wordt voor te komen in zodanige mate dat speciale voorzieningen ten aanzien van ontstekingsbronnen nodig zijn.

 

Normaal bedrijf

Situatie waarin het elektrische materieel binnen zijn ontwerpparameters werkt.

 

O

Onderste explosiegrens (LEL)

De concentratie van een brandbaar gas, damp of nevel in lucht waar beneden geen ontplofbare atmosfeer wordt gevormd. LEL is de afkorting van de Engelse term lower explosion limit, in het Nederlands onderste explosiegrens.

 

Ontplofbare atmosfeer

Mengsel van brandbare stoffen in de vorm van gas, damp of nevel, met lucht, onder atmosferische omstandigheden, waarin na ontsteking de verbranding zich zonder energietoevoer van buiten voortplant door het gehele mengsel.

 

Ontstekingsbron

Een plaats waar een zodanige hoeveelheid energie vrijkomt, dat daardoor een ontplofbare atmosfeer kan worden ontstoken.

 

Ontstekingstemperatuur van brandbaar stof

De laagste temperatuur van een oppervlak waarbij het gemakkelijkst ontsteekbare mengsel met lucht van die stof, in contact met dit oppervlak kan worden ontstoken. Deze temperatuur wordt onder standaard testcondities bepaald (IEC 79-4). In het Nederlandse taalgebruik wordt in plaats van de term ontstekingstemperatuur ook de term zelfontbrandingstemperatuur gebruikt. Beide hebben dezelfde betekenis.

 

Open gebouw

Constructie die de aanwezige apparatuur beschermt tegen directe zonnestraling en neerslag. Deze constructie is echter op zo’n manier uitgevoerd, dat de natuurlijke luchtbeweging zo weinig wordt belemmerd dat er dezelfde ventilatieomstandigheden heersen als in de buitenlucht.

 

P

Primaire gevarenbron

Een plaats waarvan te verwachten is dat er regelmatig of incidenteel tijdens normaal bedrijf brandbaar stof in de vorm van gas, damp of vloeistof uit vrijkomt. Indicatie van periode: in totaal 10 tot 1000 uren per jaar. Voorbeelden:

  • plaatsen waar installatiedelen, frequent aan- of afgekoppeld worden (verlaadinstallaties);
  • pakkingen en andere afdichtingconstructies van asdoorvoeringen die tijdens normaal bedrijf kunnen lekken (lekbakken);
  • breekbare apparatuur;
  • onbeschermde peilglazen;
  • bemonsteringspunten.

 

R

Relatieve dampdichtheid

De verhouding van de massa van een bepaald volume gas (damp) tot die van eenzelfde volume droge lucht bij gelijke temperatuur en druk. Gassen met een relatieve dampdichtheid groter dan of gelijk aan 0,9 worden aangemerkt als zwaarder dan lucht. Gassen met een relatieve dampdichtheid kleiner dan of gelijk aan 0,3 worden aangemerkt als beduidend lichter dan lucht. Gassen met een relatieve dampdichtheid tussen de 0,3 en 0,9 worden aangemerkt als lichter dan lucht.

 

S

Secundaire gevarenbron

Een plaats waarvan niet te verwachten is dat er in normaal bedrijf brandbaar stof in de vorm van gas, damp of vloeistof vrijkomt, en indien dit vrijkomen wel gebeurt niet frequent en gedurende korte perioden. Voorbeelden:

  • flenzen, schroefdraadverbindingen en andere verbindingen;
  • aansluitingen van gascilinders;
  • kranen en afsluiters;
  • beschermde kijk- en peilglazen;
  • pompen;
  • compressoren;
  • pakkingen, pakkingbussen en seals van roterende assen die zo zijn geconstrueerd dat ze in principe dicht zijn.

 

V

Ventilatie

De algemene term die luchtverversing aangeeft. Soorten ventilatie:

  • buitenluchtomstandigheden: luchtverversing in de open lucht waarbij zonder mechanische hulpmiddelen de luchtsnelheid meestal hoger is dan 2 m/s en zelden lager dan 0,5 m/s, en geen hinderende obstakels aanwezig zijn;
  • belemmerde buitenluchtomstandigheden: luchtverversing in de open lucht waarbij zonder mechanische hulpmiddelen de luchtsnelheid meestal hoger is dan 2 m/s en zelden lager dan 0,5 m/s, en mogelijk tevens hinderende obstakels aanwezig zijn;
  • beperkte ventilatie: ventilatieomstandigheden binnen een gebouw waarbij al of niet met behulp van mechanische middelen een luchtverversing van ten minste één keer per uur is gewaarborgd;
  • geen ventilatie: ventilatieomstandigheden binnen een gebouw of besloten ruimte waarbij een luchtverversing van één keer per uur niet is gewaarborgd;
  • kunstmatige ventilatie: luchtverversing door mechanische hulpmiddelen (waarvan er diverse vormen zijn);
  • kunstmatige ruimteventilatie, overeenkomstig buitenomstandigheden: ruimteventilatie met een zodanige capaciteit dat de gemiddelde concentratie aan brandbare gassen in de ruimte niet hoger wordt dan 10% van de LEL en die zodanig is uitgevoerd dat geen dode hoeken bestaan;
  • kunstmatige plaatselijke ventilatie: luchtverversing ter plaatse van en specifiek voor een bepaalde gevarenbron, zoals de luchtverversing in een  apparaatomkasting of een puntafzuiging. De ventilatiecapaciteit is zo groot, dat de concentratie van de brandbare gassen in de luchtafvoer 10% van de LEL niet kan worden overschreden.

 

Vlampunt

De laagste vloeistoftemperatuur waarbij een vloeistof onder bepaalde genormaliseerde omstandigheden zoveel damp ontwikkelt, dat een ontsteekbaar damp/lucht-mengsel kan worden gevormd. Deze temperatuur wordt onder standaard testcondities bepaald (NEN 3024).

 

Z

Zone

Gevaarlijk gebied, op basis van de frequentie waarin een ontplofbare gasatmosfeer voorkomt en de duur daarvan, in een zone ingedeeld:

 

Zone 0

Een gebied waarbinnen een ontplofbare atmosfeer voortdurend of lange periodes aanwezig is. Indicatie van periode: in totaal meer dan 1000 uur per jaar.

 

Zone 1

Een gebied waar de kans op aanwezigheid van een ontplofbare atmosfeer onder normaal bedrijf groot is. Indicatie van periode: 10 tot 1000 uur per jaar.

 

Zone 2

Een gebied waar de kans op aanwezigheid van een ontplofbare atmosfeer onder normaal bedrijf gering is en waar een dergelijke atmosfeer indien aanwezig slechts korte tijd zal bestaan. Indicatie van periode: in totaal minder dan 10 uur per jaar.